We horen steeds vaker over pesticiden in onze leefomgeving: in oppervlaktewater, drinkwater, voedsel en ook bij bijen. Maar wat krijgen bijenvolken nu eigenlijk mee uit hun omgeving? De Odin-imkerij onderzoekt dit momenteel op een bijzondere manier. Met bijenvolken op 35 locaties verspreid door Nederland, verzamelt Odin-imker Bas Strijker monsters die inzicht kunnen geven in de aanwezigheid van pesticiden én in de bloemen waar de bijen hun nectar en stuifmeel vandaan halen.
Bas vertelt hoe het nemen van monsters werkt: "Omdat onze bijen biodynamisch worden verzorgd en we geen gebruik maken van materialen en middelen die de metingen kunnen beïnvloeden, kunnen ze een waardevolle blik geven op de gezondheid van hun omgeving." Monsters nemen uit een bijenkast klinkt misschien eenvoudig. Dat is het niet. Monsters nemen wil zeggen dat we een klein beetje honing uit de raat nemen, in een potje doen en laten analyseren op pesticiden en welk soort stuifmeel er in de honing zit. Als de bijen nectar uit de bloemen verzamelen, dan komt er ook een beetje stuifmeel mee. Iedere bloem heeft verschillend stuifmeel. Dat kan je onder een microscoop herkennen. Dus als je weet van welke bloemen de honing afkomstig is, dan heb je ook een goed inzicht in waar de pesticiden vandaan komen. Zo krijg je dus niet alleen antwoord op welke pesticiden er in de honing zitten, maar ook van welke bloemen dit afkomstig is."
Bas: "Het is confronterend om te zien hoeveel verschillende plekken in onze leefomgeving op pesticiden worden onderzocht: oppervlaktewater, drinkwater, bodem, bladeren, mest, lucht, voedsel, moedermelk en ook bijen en andere bestuivers. En vrijwel overal worden ook daadwerkelijk pesticiden gevonden. Dat maakt het belangrijk om inzichtelijk te krijgen wat een bijenvolk vanuit zijn omgeving binnenkrijgt. De Odin-imkerij heeft daarom monsters genomen uit een groot aantal bijenvolken. Maar hoe doe je dat op een manier waarbij je erop kunt vertrouwen dat het gevonden resultaat ook werkelijk iets zegt over het bijenvolk?"
"We willen de bijen zo min mogelijk storen en zo kort mogelijk in de kast werken. Tegelijkertijd moeten we voorkomen dat een monster vervuild raakt door bijvoorbeeld gereedschap, handschoenen, de omgeving of een eerder genomen monster. Daarom hebben we vooraf een uitgebreid monsternameprotocol gemaakt. Wie doet wat? Waar ligt alles? Welke gereedschappen zijn nodig? Hoe voorkomen we kruisbesmetting? Hoe worden monsters gelabeld, vervoerd en opgeslagen? Pas als daar vooraf over is nagedacht, gaat de kast open. De monstername is vooraf ingericht als een soort werkstation. Alles heeft een vaste plek en niets kan zomaar verschuiven, omvallen of in de war raken. De potjes staan klaar, de deksels liggen schoon, gereedschappen hebben hun eigen plaats en ook de registratieformulieren liggen binnen handbereik. Een heldere taakverdeling is van groot belang. En: schoon werken. Bij onderzoek naar zeer kleine hoeveelheden pesticiden kan een klein beetje verontreiniging al invloed hebben op een analyse. Gereedschappen worden gereinigd, handschoenen worden zorgvuldig gebruikt en vervangen wanneer dat nodig is en monsterpotjes worden direct gesloten en gelabeld. Bij meerdere volken wordt het gereedschap opnieuw gereinigd om te voorkomen dat materiaal van het ene volk bij het andere terechtkomt."
"We kunnen verschillende onderdelen van een bijenvolk bemonsteren, zoals honing, bijenbrood (gefermenteerd stuifmeel), was, propolis, bijen en broed. Welke monsters we nemen, hangt af van de vraag die we willen beantwoorden. Ook binnen één kast maken we bewuste keuzes. Honing of stuifmeel kan op verschillende plaatsen in een raat afkomstig zijn van verschillende bloemen. Was wordt uit nectar of honing gemaakt door de bijen en kan oud of relatief nieuw zijn. Propolis wordt door de bijen verzameld van bladknoppen en hars producerende bomen en kan al jarenlang in de kast aanwezig zijn. Een monster is dus niet zomaar een beetje honing uit de kast halen. Je moet vooraf bepalen wat je wilt weten en vervolgens het monster zo nemen dat het antwoord ook betekenis heeft. Een betrouwbare uitslag begint vóór het laboratorium."
"De werkvolgorde is belangrijk. We verzamelen eerst de propolis, dat zit bovenop en tussen de bovenlat van de ramen. Daar merken de bijen niets van. Daarna zoeken we het broednest en verzamelen we het bijenbrood, dat duurt het langst. Op iedere raat nemen we direct wat was weg, dat gaat ook in 1 handeling. Als we alle raten weer tegen elkaar schuiven nemen we honing weg. Dit lekt vaak een beetje. Door dit als laatste te doen vervuilen we geen monsters. De bijen gaan de honing direct opruimen en worden hier onrustig van. Door dit als laatste stap te doen ervaren de bijen en de imkers de meeste rust. We nemen alleen monsters van relatief vers gestorven bijen, die verzamelen we direct als we ze tegenkomen."
"Uiteindelijk gaat het ons niet alleen om een laboratoriumuitslag. Het gaat erom dat we een overzicht krijgen van de verschillen in Nederland. Het is daarom belangrijk dat we zorgen dat de uitslag op een juiste manier tot stand is gekomen. Een laboratorium kan een monster zeer nauwkeurig analyseren. Maar als een monster vóór de analyse verkeerd is genomen, vervuild is geraakt, verwisseld is of niet representatief is voor de onderzoeksvraag, dan kan zelfs de beste laboratoriumanalyse dat niet meer herstellen. Daarom besteden wij zoveel aandacht aan het voordenken, voorbereiden, schoon werken, registreren en bewaren."